De ode aan mijn hersenen

Ik sta voor het station. De wind draait op alle richtingen mee en ik zeg: spijt mij dan. Hef mij op; is het relevant of dat nu gebeurt of over zestig jaar? Je danst op de stroming mee maar weet welk een deinzen tot gevolg kan hebben. Ik sta midden op de straat en kijk naar waar men denkt dat god is: de lucht in. Het blijft mij fascineren dat men nog geen tien meter kan lopen alvorens tegen een hek, struikgewas of gebouw te struikelen, maar dat we miljoenen kilometers omhoog kunnen zonder ook maar iets tegen te komen. Tussen lucht en geen lucht zit niets tastbaars. Geen hek, geen omheining. Lucht stopt geleidelijk, zoals ik ook ooit geleidelijk stop met lucht happen. Of heeft dat laatste plots plaats; als een metalen vierwieler mijn organen uiteenrijt, en mijn hart plots verstokt.

Mijn alwetende ongezelligheid drijft de stilte op de gang, de voor-niets-wat-ik-tegen-zal-komen-ben-ik-bang. Maar banger nog dan voorheen voor niets, iets, misschien kom jij mij tegen op de fiets. We lachen vriendelijk en in de halve seconde dat dit duurt vind ik jouw gezicht en borsten mooi. We komen elkaar daarna natuurlijk niet meer tegen want waarom? Twee passerende fietsers is alles wat het is. Tot over vijf jaar later op een feest van een gezamenlijke kennis. Beide vrij dus beide niets te doen op een andermaal eigenlijk verdoemde vrijdagavond. Jij zei er je serie voor af en waarom had ik geen zin om te sporten? We spotte elkaar maar het is niet alsof we nog weten dat we elkaar eerder gezien hadden. Jij kijkt niet eenzaam op de bank, maar ontgoochelt naar je vriendinnen met hun baby-verhalen, trouwfoto's en andere zaken waar jouw leven nog nooit van gehoord heeft. Je beeft, van binnen; wat ik zie. Mijn mond spreekt niet maar mijn ogen schrijven boeken van we-gaan-hier-weg. Ik verontschuldig me met de-bus-gaat-zo al ben ik op de fiets. Zij niet. Zij zegt ik-ga-die-gast-achterna. Of eigenlijk weet ik dat niet. Misschien zei ze niets. Misschien zei ze ook de-bus-gaat-zo al was zij op de fiets. Wat ik weet is de fiets, de wind door mijn haar haren. Ik vlieg. Ik ben met het vliegtuig en jij?

We dromen over: de ultieme ontsnappoging. De ultieme ontspanpoging. Draaien we letters om? Of is twee letters toevoegen alles wat nodig is om van geweld geweldig te maken? Het is donker en ik zie een lampje achter me fietsen. Ik kan je gezicht of daaronder niet zien maar ik vermoed. Ik vermoed dat jij het bent maar ik verwacht een dikke koe op een elektrische fiets die me voorbijraast alsof ze wel spieren heeft, zoals dat op alle levensveranderende momenten van mijn leven lijkt te gebeuren als ik daarover filosofeer op de fiets. Ik wil eigenlijk niets. Ik wil dat dingen simpel, of zo blijven als ze waren. En tegelijkertijd wil ik alles omver stoten, omgooien, en met jou ontspannen en opnieuw alles uitvinden. Ik maak vuur en ontdek het wiel. Jij brouwt bier.

Je zit nog steeds naast je semi-vriendinnen op de bank en ik denk aan hoe ik hieraan ontkom. Ontkom ik aan converseren met dromen? Speelt mijn leven zich alleen in mijn hoofd af? Is alles nep wat ik zag? Was jij het niet die met één glimlach op de fiets mijn dromen jarenlang teisterde? Ik weet niet meer of ik rende of ook op die fiets zat. Zaten wij samen, toen al, op een tandem, richting het land van niemand? Of hebben we dat er later bij bedacht? Ik heb maar één hoofd dat gek wordt, en géén hoofd dat normaal is. Dan huil ik toch gewoon want tranen maakt alles gemakkelijker. De emotie eruit ik eruit. Ik uit het leven op haar meest pure manier: ik overwin niet jouw emoties maar wel de zee. Ik teister niet jouw dromen maar wel de wind. Ik bespeel niet jouw lichaam maar wel de piano.

Het is zeer belangrijk dat u op de aangewezen tijd op uw afspraak aanwezig bent.

Opeens besef ik: we zaten in de trein. We zaten als twee vreemden tegenover elkaar. Als jij lacht. Als jij glimlacht. Als jij kijkt. Ik lach, glimlach en kijk terug. Ik ontvouw onze levens samen en teken vlindertjes op het tafeltje tussen ons in. Heb ik jou al liefgehad of zie ik jou voor het eerst en moeten wij elkander nog voor het eerst kussen? Ik schrijf een kaartje met waarom jij tof bent en als jij vraagt even op haar mijn spullen te letten omdat je de sanitaire stop prop ik het kaartje in je tas ergens waar je nooit kijkt. Over anderhalf jaar als je op vakantie gaat en je tas echt eens goed uit- of inpakt kom je het kaartje tegen. Alles is leesbaar, alles is begaanbaar, alles is liefde, alles is aardig, behalve de verwaterde onderkant door het lekkende flesje anderhalve maand twee dagen zeventien uur en achtenvijftig seconden geleden. Het telefoonnummer van je leven uitgeveegd door je onoplettendheid van wat er in jouw tas plaatsvond. De momenten van het kaartje waarop je met je vingertoppen de inkt al streelde, op zoek naar iets anders. Iets waarvan je vermoedde het ingepakt te hebben maar het niet meer zeker wist. Je staat nooit stil bij wat je niet denkt te hebben.

Ik durf het kaartje niet te verstoppen in je tas want ik zie hoe jij straks aankomt op station Haarlem, hoe vreemde handen je haren raken en een wildvreemde mond zijn lippen of de jouwe plaatst. Hoe jij achterop zijn fiets plaatsneemt en je armen om zijn middel. Je drukt de zijkant van je gezicht tegen zijn rug op zoek naar de resonerende hartslag. Hoe hij afgeleid door jouw vingers die zijn spieren bespelen alsof het een harp is, niet opmerkt hoe het oranje stoplicht allang rood was. En doorfietst. En door rood fietst. Met jou achterop. Als een metalen vierwieler vervolgens jullie beider organen uiteenrijt, jullie harten plots verstokken.

Geen kaartje. Geen liefde. Ik kijk hoe jij de trein verlaat en er wacht niemand. Je loopt alleen naar de fietsenstalling en haalt slot één van je fiets. Ik zou zweren dat je even naar me keek toen je uit mijn gezichtsveld verdween bij de vertrekkende trein, in jouw handen slot twee. Moet ik noodremmen? Als dit de vrouw van mijn leven is kom ik haar nog een keer tegen? Of wordt ze over luttele seconden beneden in de fietsenstalling even goed genomen door haar vriendmanloverboy. Had ik mijn telefoonnummer op jouw hand geschreven stond ik dan daar of waren wij dan aan de andere kant het station uitgelopen, samen wat gaan eten en beloofden wij elkaar vijf maanden later eeuwige trouw, beloonden wij onszelf in de jaren daarna op krijsende uit-je-kut-gekomen-koters en was ik daardoor gaan rennen. Waar komt dat vandaan? Dat we constant overal onze stempel op moeten drukken. Je wilt belangrijk zijn voor anderen, maar die anderen zijn slechts levende stervelingen zoals jijzelf. Dus als jij belangrijk bent voor jezelf, is dat dan niet al voldoende? Is al het extra mooi meegenomen, maar geen nastrevenswaardig doel?

Ik zie je aan de andere kant van de wereld roep ik je nog na. Ik vertrek over anderhalve week voor een halfjaar naar het buitenland. Op de grootste fietstocht van je leven. Ik fiets van bed&breakfast door de duinen, de dorpjes, de kust, de bergen, de natuur, naar uiteindelijk de andere kant van de wereld. Waar ik je tegenkom in Japan. Je steekt net als ik boven alles uit en als ik je daar dan voor de eerste keer voor de tweede keer zie denk ik: die had ik ook toen ik haar voor de eerste keer zag kunnen zoenen. Of is die Japanner naast haar haar vriend? En is dat niet gek, een vriend die twee koppen kleiner is. Ik zwaai.

Ik zwaai. De trein vertrekt uit Haarlem en ik zwaai naar een willekeurige passant. Ben ik op weg naar een feestje van een kennis of kom ik daar net vandaan? Woon ik in Haarlem? Gaat deze trein heen of terug? Of heen voor mij en terug voor een ander, of precies andersom. De ode aan mijn hersenen.