Wat te diep verborgen zit.

Het droomjachtseizoen is geopend. Jij speelt voor astronaut; want de ruimte tussen ons is altijd groot. Onberekenbare afstanden breken dromen, en we blijven taxiën op de vlucht voor ons leven samen. Met je hoofd in de wolken afdalen naar wat je nog moest vinden maar niet mag zoeken.

Je hapt meestal naar adem, soms naar taart maar te vaak naar zijn lippen. Onze lieve tijd brak alles wat heel was, maar maakte het in de eerste plaats. Wat valt er te verwijten aan situaties die toevallig voorkomen; die uniek zijn voor deze plek in tijd en ruimte. En die verder niet met het bestaan of niet-bestaan van wie-dan-ook gemoeid zijn.

Er leefde iemand in de Middeleeuwen die zijn best deed om te overleven,; zonder internet, zonder trein, tandartsloos, zwartepestloos. Die iemand is een van jouw voorouders. Die iemand vond het, ondanks alle ontberingen, de moeite waard somehow. Tenminste, zo zien wij het nu. Wij stellen ons een beeld voor van ontberingen, terwijl dat toentertijd heus niet zo ervaren werd want men wist niet beter. Men wist niet van het bestaan van riolering, van Mars, van evolutieleer.

We hebben behoorlijk aan de weg getimmerd om een pijnloos bestaan te creëren voor onze soort, in ieder geval lichamelijk. Alle foutjes die we maken worden rechtgezet en we slapen niet in de kou. Alle informatie van de wereld tot je beschikking hebben is zelfs geworden tot eerste levensbehoefte.

Ik zie je zitten, een paar tafels verderop, in gesprek. Ik observeer, ik wacht. Maar wat zeg je na een levenslange afwezigheid van jouw bestaan in een ander leven? De ontmoeting zou niet anders zijn dan die met een caissière, een conducteur. Maar in mijn hoofd bevaren we al de wereldzeeën. Laat ik jou mijn wondere wereld zien en geef jij mij een inkijkje in de bizarriteit van de jouwe. En we dansen. We doen alles wat we kunnen dus we dansen. We dansen en we filosoferen over de grotere denkers. Je drinkt een zee aan thee en mijn sapjes doen er niet aan mee; ik zit verstijfd in de hoek van. Was jij daar? Zat jij daar zojuist — in gesprek — of was het mijn verbeelding? Dezelfde verbeelding die ons samen op een boot plaatste, die ons wadlopende, die ons danste, die ons was.

Een leven dat had kunnen meemaken; maar eindigde voordat het vuur in het hart ontbrandde.